Na de romeinen was het gebruik van baksteen teloorgegaan, met als gevolg dat in streken, waar natuursteen ontbrak, alle gebouwen in hout werden opgetrokken, behalve de stenen en kastelen van de heren die natuursteen konden aanvoeren langs de waterlopen (blauwe Doornikse hardsteen)

 

 

BAKSTEEN
De eerste gebouwen van de abdij van Boudelo waren van hout. De gevonden grondsporen wijzen erop dat ze afgebrand zijn. Daarna werd hier ook Doornikse hardsteen gebruikt. Deze werd aangevoerd langs de Schelde en de Durme en bereikte via de Moervaart de Abdij van Boudelo.
Er werden fragmenten gevonden van bewerkte Doornikse hardsteen die dateert uit de overgangsperiode Romaans-Scheldegothiek 13de eeuw.

Op het gebied van bouwkunst hebben de cisterciënsers ontzettend veel gepresteerd. De snelle verspreiding van de gothiek in Duitsland en in een gedeelte van Italië en Engeland is aan hun bouwtrant te danken. Een van de grote verdiensten van de cisterciensers was het terug invoeren van uit klei gebakken steen. Ze waren goede steen- en pannenbakkers en zijn de grote verbreiders van de baksteen geworden.

 

ECONOMIE
Daar de kloosters in de eenzaamheid gebouwd moesten worden, waren de monniken ook genoodzaakt in hun eigen onderhoud te voorzien en te zorgen dat ze in het klooster zelf alles vonden wat ze nodig hadden. De broeders mochten dan ook niet alleen landarbeiders en veefokkers zijn, maar ze moesten alle ambachten uitoefenen. In de bossen werkten de houthakkers en de kolenbranders; in het klooster zelf de bakkers, de tuiniers, de leerlooiers, de wevers, de schoenmakers, de zadelmakers, de wagenmakers en de molenaars. De meeste bedrijven waren in het groot opgezet, waar niet alleen voor eigen behoeften werd gewerkt, maar ook voor de export, de handel.  In de meest bedrijven werd van het water als motorische kracht gebruik gemaakt.

 

TEGELBAKKERIJ - STEENBAKKERIJ

In Boudelo werden slechts 3 kleuren gebruikt. Gele, donkerbruine en groene.

In 1223 kreeg de abdij 2 bunders land te Stekene om stenen te bakken. Verrassend is dat weldra een grote verscheidenheid van baksteenvormen verschijnt. Het is een soort snelbouwsysteem. De bakstenen die van groot formaat waren werden kloostermoppen genoemd.

 

POTTENBAKKERIJ
Het oudste aardewerk is waarschijnlijk in de abdij zelf gebakken in de 13de eeuw. Het is donkergrijs berookt aardewerk, ongeglasuurd en ruw afgewerkt. De oudste bodems zijn rond; later in de 14de 15de eeuw worden ze gekarteld met de vingers. In de 15de eeuw wordt er aardewerk vervangen door zandsteengoed. Dit zandsteengoed werd ingevoerd uit Siegburg, Frecken, Aardenburg, enz.

 

METAALBEWERKING
De vondst van een dikke laag ijzerslakken, moerasijzererts en steenkool leverde het bewijs dat de paters hun eigen ijzersmelterij gehad hebben. Doornikse kalksteen werd ook gebruikt bij het ijzersmeltingsproces.

 

BOSONTGINNING
Bij de rooiing der bossen moest onderscheid gemaakt worden tussen grond, die alleen voor boscultuur in aanmerking kwam, en grond,  die met goed succes ontgonnen kon worden. Alvorens een bos te rooien, bestudeerden de monniken de natuurlijke gesteldheid van de bodem. Berekenden de aardlagen, onderzochten het waterverval van de grond, gingen nauwkeurig na, of hij voor bouwland geschikt was. Dan pas besloten ze het bos al dan niet te rooien. Wanneer de bovenste laag geen humus bevatte of erg zanderig was, werd het bos gespaard, omdat er van plantengroei toch geen sprake kon zijn. Bovendien liet men aan de noordzijde de hoge bomen staan als een natuurlijke beschutting tegen de guren noorderwinden, waardoor de grond tevens warmer werd. Op gebied van afwatering en drooglegging waren de monniken grote meesters. De cisterciensers zochten de laag gelegen valleien op, rijk aan poelen en vennen, die in uitstekende bouwgrond herschapen konden worden, als men voor de nodige afwatering zorgde.

Ten eerste werden de moerassen drooggelegd en in weilanden en akkers herschapen; ten tweede verzamelde men het water als drijfkracht voor de verschillende molens en had men ook nog voldoende water voor de reservevijver in droge zomers en ten derde kreeg men vijvers voor de viscultuur.

 

WOLBEWERKING
Door het fokken van schapen brachten de cisterciensers de wolindustrie tot hoge bloei. Hierbij sluit onmiddellijk hun arbeid als wevers aan, daar het looien der huiden en de fabricatie van tapijten ook uit de cistercienserkloosters afkomstig waren.

 

INDIJKING
De cisterciensers zijn ook de eersten die de strijd aangebonden hebben met de zee. Ze groeven overal afvoerkanalen, legden wegen aan, bouwden sluizen, wierpen hogere dijken op tegen de werking van de zee, polderden grote oppervlakken vette kleigrond in.

 

TURFBEWERKING
In de lage venen hebben de monniken een begin gemaakt met de kunstmatige turfbewerking. Ze stichtten kolonien van arbeiders, leerden hun de afgravingen van veen op grote schaal, de geregelde waterafvoer in de lagere venen, dus het eigenlijke turfsteken.