In 1226 was er een zwaar incident op de abdij. De moord op de abt. Deze daad werd door de hoofdabdij niet ongestraft gelaten. U leest er hier alles over. 

De Orde van Cîteaux, waartoe Boudelo vanaf 1205 behoorde, is eigenlijk ontstaan als een reactie op de pronkerige rijkdom van abdijen als Cluny, waar werelds vertoon en grootse bouwwerken belangrijker bleken dan het zuivere monastieke leven en het naleven van de Regel van Benedictus. De grondlegger van de Orde, Robert van Molesmes, wilde daarom een strikter naleven van de bepalingen van Benedictus en legde daarbij de nadruk op armoede, afzondering en ascese als idealen voor zijn volgelingen. Bovendien moesten de monniken door handenarbeid, landbouw en veeteelt zoveel mogelijk in hun eigen levensonderhoud voorzien. Rechtstreekse uitbating van het grondbezit was met andere woorden inherent aan de Orde van Cîteaux, hoewel het de monniken van de Cisterciënzerorde wel was toegestaan om bij de bewerking van hun gronden beroep te doen op zogenaamde conversen of lekenbroeders en zelfs op gehuurde arbeiders.

Al deze kenmerken vinden we ook terug bij Boudelo. In de eerste decennia van het bestaan van Boudelo namen de monniken de bewerking en de uitbating van hun gronden zelf ter hand, waarbij ze de hulp kregen van conversen. Het moet echter gezegd dat het aantal conversen van Boudelo altijd zeer beperkt is geweest en dat de bewerking van de gronden in deze beginperiode wel grotendeels door de monniken is gebeurd.

Het beperkte aantal conversen was een gevolg van een incident in 1226. In dat jaar werd de toenmalige abt van Boudelo, Theodoricus, vermoord door een lekenbroeder. Het kapittel-generaal van de Orde van Cîteaux besloot daarop dat het aantal conversen in Boudelo beperkt moest blijven tot maximum vijf. Tegen 1236 waren het er 15.

In het verhaal van Reynaert de Vos is de dood van Coppe een toespeling op de moord op abt Theodoricus in 1226. 

Ene Willem van Boudelo, die tot 1260, jaar van zijn overlijden, klerk was van Margaretha, zou de Reynaert geschreven hebben op haar verzoek. Om dit te staven legde onderzoeker Nonneman een reeks toponiemen op tafel die hij kon lokaliseren te Stekene. Reynaert identificeerde hij met Boudewijn van Boekel die evenals Reynaert een ‘begheven clusenaere’ was, Boudelo was Malpertuus, dat Reynaert kippen gaat stelen bij de nonnen kwam doordat Boudelo jarenlang in onmin leefde met het klooster van Oudenbos te Lokeren over tienden en visrechten in de Durme.

In Reynaerts historie is er sprake van de ‘abt Bandelo,’ wie anders kon bedoeld zijn dan de abt van Boudelo.