Door Harry van Royen

Het was de bedoeling dat een abdijgemeenschap zoals de cisterciënzers in de geest van de Regel van Benedictus zoveel als mogelijk in hun eigen behoeften konden voorzien. Binnen het eigen abdijdomein werden dan ook tuinen aangelegd voor de teelt van groente, kruiden en fruit. De eerste boomgaard werd aangelegd op het kerkhof. De rest werd verbouwd buiten de abdijmuren. 

In de meeste gevallen dienden de cisterciënzermonniken niet van nul te beginnen. Veelal werd de abdij op een plaats uitgebouwd die reeds (deels) ontgonnen was door gewone mensen. Die werden dan enkele kilometers verder geherlokaliseerd. In enkele gevallen waarbij de monniken toch echt vanaf nul dienden te beginnen, volgde meestal na enkele jaren de verplaatsing van de abdij of dienden andere abdijen bij te springen door uithoven af te staan. De gewassen die op de uithoven werden geteeld waren vooral graansoorten (tarwe, rogge, haver, spelt) en verder erwten en bonen. Die erwten en bonen maakten het hoofdbestanddeel uit van het oorspronkelijk monastiek dieet. Rapen en andere knolgewassen werden toegevoegd om een groentepap te maken.

De zomer was meestal een tijd van overvloed. Uit de eigen tuinen, boomgaarden en bossen kwam een variatie aan groente, kruiden en fruit. Een deel werd onmiddellijk verwerkt voor consumptie. Andere werden geoogst en gedroogd om verder in de winter en de lente te worden verbruikt. Fruit werd zowel gedroogd als gekonfijt. Hiervoor werd goed gebruik gemaakt van de honing die uit de eigen imkerij afkomstig was. Dit werd niet alleen gedaan bij de mannenabdijen, ook in de vrouwenabdijen werd vlijtig aan de voorbereiding voor de wintervoorraad gewerkt. De zolders boven de slaapzalen werden volledig gevuld met verse appelen en noten. Van peren en pruimen werd compote gemaakt die in een graangerecht kon verwerkt worden. Kwestie om toch niet altijd hetzelfde te moeten proeven.

Uitwisseling van expertise en zaaigoed was zeker aan de orde. Nieuwe teelten werden doorgegeven. De renetteappel zou zo door monastieke interesse verspreid geraakt zijn. Een goede appeloogst met fruit dat lang bewaarde was een belangrijk aspect voor elke kloosterkeuken. Een appel was immers het standaard dessert tijdens de herfst-, winter- en lentemaanden. Een verse appel kon ook verfrissend zijn tijdens de nadagen van een warme zomer…