Tot het jaar 1200 is de ganse streek een onherbergzaam gebied. De drassige vlakten – wazen – in de Moervaartvallei nodigen niet uit om nederzettingen op te richten. Vossen en wolven zwerven hier vrij in rond.
Dit ongerept natuurlijk landschap lokt in de Middeleeuwen kluizenaarsgroepen, die de eenzaamheid opzoeken en zich organiseren tot kloostergemeenschappen. Zo voelde ook Boudewijn van Boekel, een benedictijn van de Sint-Pietersabdij te Gent, zich aangetrokken door de stilte (!) en de verlatenheid van het gebied tussen Stekene, Sinaai en Daknam.
Hij vestigt zich in 1197 te Bodele in de buurt van het hedendaagse Klein-Sinaai.

Al vrij snel – rond 1225 – wordt de abdij van Boudelo gesticht op een stuk bebouwbare akkergrond van 40 bunders (30 ha) met bijhorende weiden, dat door de toenmalige Graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX van Constantinopel, in 1200 aan de kluizenaar en zijn volgelingen was geschonken; Boudelo betekent “het kleine, onvruchtbare bos in de hoge, zandige streek van graaf Boudewijn”. Deze benaming geeft meteen een rake typering van de omgeving.

Wat volgt de komende eeuwen, is een bewogen geschiedenis die u hier kan volgen.