Ver van alle drukte, in een nog ongeschonden natuurgebied van het Land van Waas, verscholen achter het dichte gebladerte van een lange rechte dreef, die van op de straatweg toegang verleent, staat te Klein-Sinaai het lieflijke Boudelo-hof.
Het is een levende herinnering aan de eertijds vermaarde Boudelo-abdij. De abt van Boudelo wordt zelfs vernoemd in het middeleeuwse epos 'Van den Vos Reynaerde', waarvan de monniken en de broeders meer dan hun steentje bijdroegen tot de geestelijke en culturele ontwikkeling van de omwonende bevolking en tot de landbouwontginning van een nog grotendeels woeste streek, bedekt met meersen en bossen.
Boudelo schiep zich een faam die ver buiten het Land van Waas uitstraalde en die stoelde op vroomheid, herbergzaamheid, behulpzaamheid en taai ontginningswerk. De binding van het huidige hof - een nog steeds aantrekkelijke getuigenis voor de schoonheid van de vroegere landelijke bouwkunst in onze Vlaamse gewesten - met een brok Vlaamse cultuurgeschiedenis is wel het vertellen waard...


'IN HET WOUD VAN BOUDEWIJN'
Een zekere Balduinus van Bocia (Boekel), monnik van de Sint-Pietersabdij te Gent, voelde zich geroepen om in de eenzaamheid een streng leven te leiden en vroeg aan vader abt de toelating om zich als kluizenaar terug te trekken in de bossen te Klein-Sinaai.
Spoedig trok hij echter een schare volgelingen tot zich zodat zij een kloostergemeenschap gingen vormen. Toen graaf Boudewijn IX van Konstantinopel aan de gemeenschap een groot omliggend land schonk om er een abdij op te richten, vatte de stichting vaste voet.
Naar de naam van de schenker kreeg ze de naam van Boudelo ofte 'Woud van Boudewijn'.

De stichting gebeurde in de jaren 1195-1197 en werd door de bisschop van Doornik erkend in 1203. Het klooster -de naam van  abdij verwierf het later- werd met allerlei voorrechten begiftigd. In 1213 gaf Ferdinand, graaf van Vlaanderen, eerste gemaal van gravin Joanna, o.m. aan Geraard van Sotteghem en de Baljuwen van Waas, bevel de "monniken van Bodelo" met vrede hun tienden te laten inzamelen, niet alleen in het Waasland, maar ook in de Vier Ambachten.

Deze tienden, die bij het volk niet zo gunstig aangeschreven stonden, bestonden in graanschoven. Zodoende richtte de abdij schuren op, zogenaamde tiendenschuren. Het waren echter geen eenzame gebouwen maar ze werden opgericht als kloosters op mindere voet. Zij waren voorzien van alles wat tot de inoogsting en het afdorsen nodig was. Broeders en knechten ware er gehuisvest, een kapel was in de omheining inbegrepen en er verbleef een monnik-priester voor de geestelijke noodwendigheden.
Op de wijk Koudenborm, gemeente Moerbeke, wordt een gebouw aangewezen dat vroeger nog als tiendenschuur tot de abdij zou behoord hebben.

In "L'Ordre de Citeaux en Belgique des Origines (1132) au XXe siècle" (1921) wordt vermeld dat de abdij van Boudelo verscheidene tiendenschuren bezat, waarvan bepaalde verwijderd. Men ontmoette er tot op Nederlands grondgebied, te Hulst, en nog meer noordwaarts te Lamswaarde, en ook in de omgeving van Terneuzen dicht bij de Schelde. In zuidelijke richting strekten de bezittingen van de abdij zich uit tot aan de Durme, zodanig dat het grootste gedeelte van het Land van Waas zich min of meer binnen de afhankelijkheid van Boudelo bevond.

In een merkwaardig handvest van 1247 worden de grote lijnen van de eerste toestand van de abdij van Boudelo beschreven. Over de ligging staat vermeld: "De palen zijner afmeting zijn langs de westkant de plaats genaamd Coudenborne, langs de oostkant de nieuwe Woestenij, bevattend zestig bunderen gegeven aan het klooster door onze welbeminde zuster Joanna, zaliger gedachtenis, eertijds gravin van Vlaanderen en Henegouwen en door haar echtgenoot Thomas, als vergelding voor een deel van zekere visserij in de Durme nabij Waasmunster.
Langs de zuidkant is de eindpaal de waterloop, genaamd de Lede. Langs de noordkant is de eindpaal het midden van het Moer..."

(N.B. Het is waarschijnlijk uit dit Moer dat de turf werd gestoken die tot in de 16de eeuw algemeen te Antwerpen voor brandstof werd verkocht in bijzonder grote stukken en onder de benaming "Boudeloosche turf".

UITSTRALINGSPUNT IN HET LAND VAN WAAS
Oude kronieken gewagen van het noeste ontginningswerk van de broeders van Boudelo. Baron de St. Genois getuigt in "Biographe Nationale": "Het waren zij die de ontginning hebben aangevat van gans de omliggende streek en de vruchtbaarheid hebben bewerkt van het rijke land, dat later de naam ontving van "den hof van Europa".
In het centrale gedeelte van het Land van Waas, in de vallei van de Burbuurbeek en omliggende, is de ontginning veel vroeger begonnen, ten tijde van het ontstaan van de aldaar liggende heerlijkheden, waarvan sommigen wellicht ook abdijhoeven zij geweest.
De abdij stond verder open voor de bevolking en voor de reizigers. Reizigers en voerlieden vonder er bij dag en nacht een gul onthaal.
Daar de abdij  lag aan de grote weg tussen Brugge en Antwerpen, kwamen de voorbijgangers er menigmaal rusten en overnachten. In de 'Geschiedkundige schets van de abdij van Baudeloo' (1920) getuigt pater F. Vincke dat men gerust mag zeggen dat de abdij de schutsengel en de voorzienigheid was van de ganse streek.


Er kwamen echter ook beroerde tijden voor Boudelo. De "Witte Kaproenen" plunderden haar in 1381, 1383 en in 1452 waren het de "Groententers" die tot plundering en brandstichting overgingen. De grootste ramp kwam in 1578 die tot de volledige verdwijning aanleiding gaf. Dat jaar waren het de Beeldenstormers die de abdij overvielen en als het ware geen steen op de andere lieten.  De monniken met de 27ste abt Delrio vluchtten naar Keulen. In 1584 keerden zij terug, maar ze vonden er niets meer dan een vormloze puinhoop, die zelfs in 1580 door de geuzen openbaar werd verkocht.
De monniken trokken zich terug in hun refuge te Gent die ze tot een nieuw klooster uitbouwden. In 1660 werd ter plaatse het neerhof gebouwd met overblijfselen van de vroegere abdij, klaarblijkelijk met de bedoeling om de goederen verder te beheren. Het hof werd bewoond door een kastelein die steeds twee paarden en een kar ter beschikking moest houden van de monniken die er nog vaak kwamen, vooral nadat in 1698 een kapel was opgericht ter ere van O.L. Vrouw, genaamd de kapel van den Elsbosch. De kapel werd afgebroken in 1822; op het hof wordt nog het kruisbeeld van het altaar bewaard.

In 1897 werd te Sinaai nog de 700ste verjaring van de inrichting van de abdij gevierd. De boer van het Boudelohof, Domien De Witte, maakte deel uit van het feestcomité. Inmiddels waren de puinen in 1825 opgedolven door een zekere ondernemer. De voornaamste brokstukken werden vervoerd naar de noordelijke provinciën om de dijken te verstevigen. Vlaanderen was immers onder Hollands bestuur. Met de grafzerken werd de sluis van Terneuzen gebouwd en met de gotische ornamenten en versieringen van de kapel werd tussen de Schreiberg en Belsele de Steenweg opgehoogd.
Ook de grondvesten zouden nog verdwijnen. In 1911 kwam het terrein waar de abdij stond in handen van Verdurmen, die zoveel mogelijk uit de grond wilde halen, de bomen liet omhakken en de puinhopen die geheel waren overgroeid deed opruimen. Het puin werd diep ondergegraven of gebruikt om grachten te dempen.
Enkele interessante overblijfselen konden door de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameld worden en werden overgebracht naar het museum van Sint-Niklaas.

FRANS GOED - FAMILIE DE WITTE BAAT HET HOF UIT
Het Neerhof dat in 1660 werd gebouwd om de abdijgoederen verder te kunnen beheren, werd later verpacht. Tijdens de Franse Revolutie werden de bezittingen als zwart goed verkocht. Wat vroeger was de familie De Witte, nl Laureys (Laurent) De Witte, pachter geworden en sedertdien bewoont deze familie de historische hoeve.

De bezittingen van de abdij kwamen ingevolge de verkoping onder het Franse bewind in handen van zekere Van Waesberghe, uit Hulst, die verwant was met de vooraanstaande families van Sint-Niklaas.
Wellicht was deze Van Waesberghe eerst beheerder van de abdijgoederen en trad hij tijdens de verkoop op als zogenaamde stroman om de goederen voor de kloostergemeenschap te redden. Het is alleszins niet heel duidelijk hoe de goederen het eigendom werden van Van Waesberghe. Het oudste pachtbriefje dat vader Gerard De Witte - sedert 1964 baat zoon Guido de hoeve uit - heeft bewaard, draagt nog de handtekening van de prokurator van de abdij. De pachtovereenkomsten van enkele jaren later spreken nog uitsluitend van Van Waesberghe.
Dat eerste pachtbriefje dat bij de familiedocumenten berust, is voor de geschiedenis van het Boudelohof wel het vermelden waard: "Ontstaan over Boudeloo van Laurijs de Witte de somme van sesthien ponden grootte courant over vier jaeren Pacht, verf. 1700 vijf, ses, seven achtentachentigh. Als fract. fol. 193. Datum 8 juny 1791.
P.L. Gruloos, procu. de Boudeloo".
Een pachtcontract van 30 maart 1795 vermeldt het in gebruik hebben van Boudelo met omliggende gronden en weiden door Laureys De Witte van de heer Van Waesberghe uit Hulst, die het stuk laat aanvangen met de woorden: "Vrijheid - Gelijkheid". Op de officiële akte van 28 november 1895 prijkt nog het zegel van Flandriae (Vlaanderen).
Wanneer Laurent De Witte op 23 augustus 1833 sterft vernemen we uit de overlijdensakte dat de hofstede 57 bunders, 75 roeden en 89 ellen land, meersen en bossen besloeg. Een bunder in het Gentse en het Land van Waas bedroeg 1ha,33a,68ca. Een vierkante roede was 14ca,85 groot.
Dan is het de grootvader van Gerard die de hofstede uitbaat, Jan De Witte. Gerards vader vertelde steeds dat Jan nooit zelf had gewerkt. Men hield toen hengsten op het hof en de boer was steeds te paard de baan op, tot in Zeeland toe. Hij deed al de kermissen en jaarmarkten in het rond.
Die tijd hield men op het hof ook schapen en in de 'duivenkeet' roekoekten naar hartelust wel 200 duiven.


In 1858 overlijdt Norbert Francis Van Waesberghe te Hulst zonder kinderen na te laten. Zijn bezittingen worden verkocht en Jan De Witte kan dan de hofstede kopen:
2 bunders, 33 roeden en 70 ellen voor 4100 gulden;
4 bunders, 3 roeden en 70 ellen, meers en dreef palende aan het hof ten noorden voor 3800 gulden;
2 bunders, 12 roeden en 80 ellen bouwland ten oosten voor 2025 gulden.

Na Jan De Witte volgde als boer op het einde van vorige eeuw Domien, in 1933 Gerard en in 1964 Guido De Witte. Zo ging het Boudelo-hof van vader op zoon. Thans is het een hofstede van ongeveer 10ha, vooral weiland, met de klemtoon op de melkvee-uitbating.


KARAKTERISTIEK VOOR EEN ABDIJHOEVE
Het Boudelo-hof vertoont nog duidelijk de karakteristieken van abdijhoeve en is in dit opzicht niet zo typisch voor de Waaslandse traditie. Het leunt qua bouwstijl veeleer aan bij de Zeeuwse en West-Vlaamse hoeven.
De straatgevel -noordoost gericht- is sterk beschut door laag reikend dak waaronder kleine, maar zeer mooie kruisvensters, voorzien van halve luiken, haast schuil gaan. De vensters van de opkamer of voutekamer zijn wat korter, maar even breed.
De rechtervleugel van het gebouw is gescheiden van de rest door een hoog oprijzende smalle puntgevel, met geheel asymmetrisch geplaatste venster. Deze asymmetrie zou ingegeven zijn door de bouw van een trap die de opkamer met de zolder verbindt.

In het fronton van de straatgevel is een gedenksteen met het jaartal 1660 aangebracht, met het wapen van abt Lieven Vaentkens, maar dit is niet meer zichtbaar door de talrijke overschilderingen en de verwering.

De achtergevel, die in de schaduw staat van een oude moerbezieboom, is de eigenlijk bedoelde voorgevel. Het geeft toegang tot de woning. Hij is zuidwest gericht en heel wat hoger opgetrokken om zoveel mogelijk licht en warmte aan te trekken.
De deur is breder dan gewoonlijk met omlijsting, boog en geprofileerde waterlijst in arduin. Daarboven zijn grote opperlichten aangebracht.


Het eigenaardige en tevens ook aantrekkelijke van de bouw zit in de sierlijke, regelmatige paarsgewijze schikking van de kruisvensters in de straatgevel en tevens in verband met die schikking van deze vensters ten opzichte van de puntgevel. Ook in de achtergevel zijn de verhoudingen van de vensters, deur en dakraam te gelijkmatig om specifiek Waaslands te zijn.
Huis en stallen van de hoeve staan in één lijn.

 

 

 

 

Het stalgebouw of schuur heeft een opstekend midden gebouwtje dat het uitzicht heeft van een duiventoren. Het zou vroeger ook als woonplaats gediend hebben. Het is als het ware een mini-uitgave van het hoofdgebouw.
De gevels van heet hoofdgebouw zijn wit gekalkt. De voorgevel kreeg pas een nieuwe beurt. De bepleistering werd afgekapt en de muur werd in een gele tint gezet, terwijl de vensterluiken en deur in een donkerbruine kleur werden gestoken.

Het interieur van de hoeve wordt gekenmerkt door de grootte van de plaatsen met hoge zolderingen (tot 4 meter) die gedragen worden door dikke zwart berookte balken die op uitstekende arduinen sokkels rusten.
Opvallend zijn ook de grote haarden, de zware deuren in rondpoorten en in de woonkamer de oude vloer in blauwe marmer met witte zandsteen.

Achter de hoeve stond vroeger de abdij die een weldoende invloed oefende op de streek en in wezen aan de basis ligt van het Boudelo-hof. Een eerder bescheiden landbouwuitbating, weggedoken in het Wase landschap.
Valeer Wouters.