Door Harry van Royen

Nu mei – de maand met de traditionele Mariadevotie – voorbij is, en Pasen en Pinksteren ook reeds spiritueel verwerkt zijn, ligt de focus in de abdijen terug meer op het gewone monastieke leven. 

Deze lenteperiode was binnen de abdijmuren niet alleen voorzien van godsdienstige hoogtepunten, maar werd afgewisseld met heel wat manueel werk. Het zaaien en planten in de moestuinen en op de akkers slorpte de meeste tijd op van de monniken en zeker van de lekenbroeders. Deze categorie van reguliere geestelijken muntte uit in nederigheid en was vooral bezig met manueel werk. Als “werkbroeder” hadden zij een minder uitgebreid koorleven. Hun historisch hoogtepunt lag in de eerste twee eeuwen van de cisterciënzerorde en werd in de 18de eeuw bij de hervorming in La Trappe terug “opgewaardeerd”. Tot in de jaren 1960 was deze categorie van broeders vooral bezig met het “werk op den akker”. De eerste lentegroente werd ook door hen geoogst, de eerste sla kwam van paardenbloemen.


Hiermee kon na de winterschaarste het gelouterde lichaam terug vitaminen en mineralen opnemen en kreeg de groenteschotel terug meer animo. De ommuurde tuinen in de abdijen zorgden er voor dat de kleinere  moestuinen – dichter bij de abdij zelf gelegen – vroeger dan de grotere moestuinen of een gewoon akkerveld groente leverde. De tuinen op het abdijdomein zelf waren opgedeeld in gewone moestuinen, kruidentuin en een siertuin. De laatste diende vooral als contemplatieruimte voor de abt. Alhoewel oorspronkelijk moes- en kruidentuin in elkaar verstrengeld waren, werd de medicinale tuin vooral na 1500 van de moestuin gescheiden.

De voeding van de middeleeuwse monnik was dus – zie vorige blog – alles behalve luxueus. Indien het hospitaalregime streng werd toegepast en enkel zwaar zieken naar de ziekenboeg mochten, dan verkeerde een koormonnik na enkele jaren op de grens van de ondervoeding. Onvoldoende nachtrust, onvoldoende voedsel, tochtige en kille ruimten zonder veel verwarming, niet aangepaste kledij volgens de seizoenen maakten dat hallucinaties en longaandoeningen na een korte carrière als monnik of moniale konden voorkomen. Het ene was goed om als zalige herdacht te worden in deze wereld en het andere om als gezuiverde zo snel als mogelijk te sterven en in de hemel te komen.

Verspilling, zeker in de vastentijd, was niet aan de orde. Overschotten werden in de zomer voor de tweede maaltijd gespaard. Indien er dan nog over was, dan ging dit naar de portier. Die kon het dan, samen met overschotten van het gastenkwartier, uitdelen aan bedelaars.

Bedelaars die aan de poort langs kwamen, hadden soms meer geluk. Bij het afsterven van een monnik werd zijn portie immers gedurende dertig dagen aan een bedelaar gegeven. Welke bedelaar dan de gelukkige was, is niet bepaald: door toeval of wie eerst aanklopt, eerst krijgt? De uitverkorene zal er in ieder geval niet rouwig om geweest zijn! Ook al was het maar gewone vegetarische monnikenkost. Die gewone monnikenkost diende ook voorgezet te worden aan de lekenbroeders, het dienstpersoneel en aan de gasten die binnen de abdijmuren verbleven. En dat was minder …